In de 20ste en vroege 21ste eeuw heeft het discours over kunst en haar instellingen vooral in het teken gestaan van de categorieën tijd en ruimte. Het thema ruimte kwam - mogelijk naar aanleiding van de beroemde uitspraak van Foucault uit 1967 dat “het huidige tijdperk eerder het tijdperk van de ruimte zal zijn” - uitvoerig aan de orde in discussies over kwesties betreffende stedelijke ontwikkeling en kunst in de openbare ruimte, plaatsgebondenheid, globalisering en haar impliciete tegenhanger: nationalisme, het toenemende (theoretische) belang en deconstructie van institutionele kunstruimtes en de verschuivende relaties tussen Oost en West.
Zowel de kunstgeschiedenis als de kunsttheorie heeft zich in recente jaren opnieuw in toenemende mate gericht op het begrip ruimte. Dit wordt niet alleen duidelijk geïllustreerd door de mondiale tendens tot een aaneenkoppeling van de wereldkunstgeschiedenis, maar is - dichter bij huis - tevens zichtbaar in het gezamenlijke Former West project en het onlangs in Brussel gehouden symposium over de ruimte van de hedendaagse kunstinstelling, Institutional Attitudes. Maar slaat deze categorie ruimte dan geen acht op vragen over tijdelijkheid? In de debatten over tijd en tijdelijkheid is, naast andere zaken, gekeken naar de opkomst van tijdgebaseerde kunst, het einde van de (kunst)geschiedenis, het vraagstuk van geschiedenis als een teleologisch project en artistieke praktijken die zich bezighouden met geheugen, het archief, monumentalisme en geschiedenis.
Terugkijkend, maar zeker ook met een blik op de toekomst, doet zich hier een belangrijke vraag voor: zijn tijd en ruimte twee categorieën - of modaliteiten van kunstgeschiedenis - die elkaar uitsluiten en waartussen wij slechts heen en weer worden geslingerd?
De Theory Talks in The Temporary Stedelijk hebben tot doel het bovengenoemde debat aan te vullen door te bemiddelen tussen de twee categorieën tijd en ruimte binnen het kunstdiscours, echter zonder uitsluiting van andere mogelijke categorieën en modaliteiten. De lezingen onderstrepen het belang van het concept van tijdelijkheid in de huidige kunsthistorische en theoretische discussies, die meer lijken te zijn toegespitst op een discussie over ruimte en ruimtelijkheid.
De sprekers stellen vragen aan de orde zoals hoe mondalisering in de kunstgeschiedenis, als een zuiver ruimtelijk concept, in overeenstemming kan worden gebracht met kunstgeschiedenis als een project van ‘diepe tijd’. Heeft geschiedenis (nog steeds of opnieuw) alles te maken met tijd, of is deze modaliteit vervangen door andere vormen van historisering? Is er plaats voor tijdgebaseerde kunst in de openbare ruimte? Op welke wijze is (nieuwe) mediakunst gebonden aan concepten van tijdelijkheid en ruimtelijkheid? Hoe kan institutionele theorie inspelen op het toenemende aantal tijdelijke, gedecentraliseerde instellingen die verrijzen in het landschap van de hedendaagse kunst? Hoe gaan kunstenaars om met het begrip monument in hun hedendaagse kunstpraktijken?
Alle lezingen zullen in het Engels gehouden worden.