een geschiedenis met Tino Sehgal

Onder de titel A Year at the Stedelijk: Tino Sehgal toont het museum elke maand een of meer werken van Tino Sehgal in de zalen van de collectie-opstelling. Curator Martijn van Nieuwenhuyzen ontdekt het werk van de Duits-Engelse Sehgal voor het eerst tijdens Manifesta 4 in 2002. Geintrigeerd door de kunstenaar haalt hij hem naar Nederland. Sehgals eerste presentatie hier zal niet snel worden vergeten. Zijn indringende werk maakt verwarring en nieuwsgierigheid los. Het is het begin van een band tussen kunstenaar en museum die inmiddels ruim een decennium omvat.

Door: Martijn van Nieuwenhuyzen

Op 29 augustus 2005 vond in het notariskantoor van Allen & Overy in Amsterdam-Zuid een bijzondere transactie plaats. Mondeling werd door kunstenaar Tino Sehgal en zijn galeriehouder het werk Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things (2000) aan een delegatie van het Stedelijk Museum (onder wie ikzelf) in eigendom overgedragen. De kunstenaar gaf een toelichting op het werk en noemde een aantal voorwaarden die bij de presentatie ervan in acht genomen moesten worden. Hij vroeg de museummedewerkers deze regels ter plekke uit het hoofd te leren. Ze mochten ze niet opschrijven, want niets werd bij deze transactie vastgelegd. Er was geen contract, geen certificaat van echtheid, er waren geen instructies of specificaties. Sehgals kunstenaarschap is geënt op het gedachtengoed van het historisch conceptualisme. Hij streeft naar een kunst die volledig immaterieel is, en daarin gaat hij zelfs verder dan zijn voorgangers uit de jaren zestig en zeventig. Niets staat op papier. 

Sehgal maakt zijn werk in samenwerking met dansers, zangers, acteurs, jongeren en ouderen. Hij maakt gebruik van beweging, interactie en gesproken woord. Sommige werken zijn op dans of zang gebaseerd, in andere staat een conversatie met het publiek centraal. Het werk ontstaat op het moment dat de museumbezoeker een ruimte binnenstapt en zich in Sehgals ‘situatie’ begeeft, als toeschouwer en participant. Het gaat hem om de ervaring van de kijker op het moment zelf. Zodra de ‘situatie’ voorbij is, lost het kunstwerk op en leeft het voort in de herinnering van degenen die het meemaakten. 

Sehgals kunstwerken worden volgens strikte regels geproduceerd, getoond en verhandeld. Dat gebeurt allemaal mondeling. Instructies en choreografie worden door Sehgal zelf of door een van zijn assistenten mondeling overgebracht en ingestudeerd. De instelling die zijn werk presenteert mag niets materieels produceren: geen affiches of andere reclame-uitingen, geen zaalteksten, folders of educatief materiaal, geen publicaties, foto’s of video’s. In de zaal waar zijn werken getoond worden hangt zelfs geen titelkaartje of informatieve tekst. Sehgal streeft ernaar dat niets de ontmoeting tussen kunstwerk en publiek in de weg staat. De bezoeker moet het werk ter plekke en zo onvoorbereid en zuiver mogelijk ervaren.

Tijdens het overzicht dat nu een jaar lang in het Stedelijk is te zien, worden bezoekers steeds op nieuwe plaatsen in het museum met een van zijn live werken geconfronteerd. Eind juni zijn negen verschillende ‘geconstrueerde situaties’ – zoals Sehgal ze zelf noemt – uitgevoerd. Sommige werken gingen zelfs in reprise. In totaal zijn dan elf zalen van het collectiecircuit door Sehgal bespeeld in samenwerking met vele tientallen ‘vertolkers’ die iedere dag van openings- tot sluitingstijd aanwezig zijn. A Year at the Stedelijk: Tino Sehgal is een van de omvangrijkste projecten die het Stedelijk op het terrein van live art heeft georganiseerd. Vanaf zaterdag 30 mei 2015 is in het Stedelijk Museum het zesde hoofdstuk van de twaalfdelige reeks te zien. 

Van dans naar beeldende kunst

Met de aankoop van Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things wist het museum de hand te leggen op het allereerste werk dat de oorspronkelijk als choreograaf en politiek econoom opgeleide Sehgal als beeldend kunstenaar maakte. Sehgal stapte rond 2000 over van de dans naar de beeldende kunst.

In 2002 was ik hoofd van Stedelijk Museum Bureau Amsterdam (SMBA). Dat jaar bezocht ik de kunstbiënnale Manifesta 4 in Frankfurt en daar maakte ik Sehgals werk voor het eerst mee. Ik wist letterlijk niet wat ik zag. In het trappenhuis van het Städelsches Kunstinstitut in Frankfurt voerde een danser Instead of allowing some thing to rise up to your face dancing bruce and dan and other things uit, het werk dat het Stedelijk later zou aankopen. De figuur die langzaam over de trap tussen de bezoekers voortbewoog met vreemde kronkelende bewegingen was voor mij en mijn gezelschap met recht een Fremdkörper. Ik raakte geïntrigeerd door de maker, Tino Sehgal, van wie ik nog nooit gehoord had.
Na enige tijd legde ik via zijn galeriehouder Jan Mot in Brussel contact met Sehgal en nodigde hem uit een bijdrage te leveren aan het jubileumjaar dat SMBA in 2004 zou vieren. Sehgal nam de uitnodiging aan. Het leek hem gepast, als introductie op zijn werk voor het Amsterdamse publiek, om het laatste werk dat hij als choreograaf had gemaakt uit te voeren.
Op 11 februari 2004 danste Sehgal naakt op het toneel van de grote zaal van de Stadsschouwburg in Amsterdam zijn choreografie Twenty Minutes for the Twentieth Century (1999). Dit solowerk geldt als katalysator in zijn carrière. Door deze choreografie zou hij hebben ingezien dat de ervaring die hij met zijn werk probeert op te roepen beter tot stand komt in het museum in relatie tot de individuele bezoeker dan in het theater, waar een anoniem publiek vanuit het donker naar het toneel kijkt. Twenty Minutes for the Twentieth Century duurt 55 minuten en bestaat uit segmenten waarin twintig hoogtepunten uit de geschiedenis van de moderne dans aan elkaar worden geregen, van posities uit het werk van Vaslav Nijinsky en Isodora Duncan tot Merce Cunningham en Xavier Le Roy. Aan het eind van het stuk deed Sehgal een plasje op het podium, een kennelijke verwijzing naar Self-Portrait as a Fountain (1966-67) van Bruce Nauman en in die zin wellicht een brug naar de wereld van de beeldende kunst. Wie erbij was zou die avond niet snel meer vergeten. Onder het publiek dat na afloop in de foyer van de Stadsschouwburg samenkwam kon ik dezelfde mix van verwarring en nieuwsgierigheid bespeuren die ikzelf twee jaar daarvoor in Frankfurt bij Manifesta had ervaren. Nog steeds kom ik mensen tegen die erover spreken dat ze ‘erbij waren’. In een televisieprogramma verklaarde de Nederlandse performancegrootheid Moniek Toebosch dat de avond in de Stadsschouwburg haar meest indringende kunstervaring sinds lange tijd was.  

Sehgal en het Stedelijk

De band met Sehgal was gesmeed. In 2005 kochten we Instead of… voor de verzameling van het museum aan. Een jaar later toonden we het in Stedelijk Museum CS, het tijdelijke onderkomen van het museum in het PostCS gebouw naast het Centraal Station. Om het werk een inbedding in de museumcollectie te geven vroegen we Sehgal een keuze te maken van werken uit de collectie die in dialoog met Instead of… licht zouden kunnen werpen op zijn artistieke referentiekader. Zo ontstond een fascinerende presentatie rond de nieuwe aanwinst waarin Sehgal Instead of… als sculpturaal vloerwerk positioneerde in de nabijheid van Carl Andre’s 10 x 10 Altstadt Lead Square (1967-1968) en van Untitled (Rossmore II) (1991) een sculptuur van 34 kilo in cellofaan verpakte snoepjes, een bruikleen, van Felix Gonzalez-Torres.
Net als met het werk van Andre verwees Sehgal met de snoepjessculptuur van Gonzalez-Torres naar de dilemma’s waar deze werken de bezoeker mee confronteren. Welke positie kies je: kijker of participant. Loop je omzichtig om Andre’s vloersculptuur heen of ga je erop staan? Kijk je naar Gonzalez-Torres’ werk of pak je een van de snoepjes, waarmee je het werk onherroepelijk verandert? Op eenzelfde manier biedt het werk van Sehgal een uitdaging aan de toeschouwer. Ga je in gesprek met de vertolker die je een conversatie over markteconomie aanbiedt in ruil voor teruggave van een deel van je toegangskaartje (This is exchange)? Hoe reageer je op drie suppoosten die om je heen staan te dansen, luid roepend ‘This is so contemporary!’? Probeer je ze te negeren en door hun barrière heen te breken of geef je je over aan de extraverte bewegingen en uitroepen om je heen? De rol van de toeschouwer is cruciaal in het oeuvre van Sehgal. Het werk wordt door de vertolkers en de bezoekers op dat specifieke moment en op die plek samen gemaakt. 

Het vervolg

Al lange tijd bestond het idee om een vervolg te geven aan de samenwerking tussen Sehgal en het Stedelijk die in 2004 begon. Toen in het voorjaar van 2014 bleek dat in de programmering van de grote benedenzaal een gat zou vallen, leek zich hiertoe een kans voor te doen. Sehgal kwam naar Amsterdam om de 1100 m2 grote zaal te bekijken. Een met Sehgal bevriende kunstenaar werd uitgenodigd een speciale architectuur te ontwerpen waarin een steeds roulerende set werken gepresenteerd zou kunnen worden. Het plan strandde uiteindelijk op de korte voorbereidingstijd en de financiën.
Toen Beatrix Ruf in de zomer van 2014 benoemd werd en zij van het plan hoorde, deed zij de uitdagende propositie het oorspronkelijke plan om te vormen tot een overzichtstentoonstelling die wij in de tijdspanne van een jaar zouden ontwikkelen. Door het specifieke, immateriële karakter van Sehgals werk is het niet voor de hand liggend of eenvoudig een overzichtstentoonstelling te maken. Nog niemand had zich daaraan gewaagd, terwijl Sehgal inmiddels toch als mid-careerkunstenaar beschouwd kan worden. Het is een productioneel mastodontische klus waarbij een grote groep mensen betrokken is en het vergt een groot budget. Weinig musea zijn bereid een dergelijk ‘committment’ aan te gaan.
Na de zomer van 2014 kreeg dit bijzondere idee handen en voeten. Sehgal wilde de relatie met het Stedelijk graag voortzetten en zag de potentie van Rufs voorstel. In zeer korte tijd werden fondsen benaderd die alle het speciale karakter van het project, een jaar lang werk van Tino Sehgal in het Stedelijk, twaalf maanden lang, 365 dagen, van opening tot sluitingstijd, onderschreven met een forse financiële bijdrage. Er werd een Team Tino gevormd bestaande uit Stedelijk-staf en uit de medewerkers van Seghal. Van tevoren was het duidelijk dat dit een project zou zijn dat zich gedurende het jaar, als een proces, zou ontvouwen. Het enige dat vaststond was dat we in januari met het werk uit de eigen collectie van het Stedelijk zouden beginnen: Instead of allowing… Sehgal zou op 1 januari 2015 om 10 uur ’s ochtends de eerste shift van dit werk voor zijn rekening nemen. Voor dit eerste hoofdstuk van de serie werd op de benedenverdieping de zaal met schilderijen van expressionistische kunstenaars uitgeruimd. De beslissing over welke werken de maanden daarna gepresenteerd zouden worden en waar ze getoond zouden worden, zou in overleg tussen de kunstenaar en het Stedelijk team genomen worden, op basis van de ervaringen. Bepalende factoren in deze discussie zijn de wijze waarop het publiek door het museum beweegt, het karakter van de zalen in relatie tot het specifieke werk, de wens met het project het gehele gebouw te bespelen en het ‘verhaal’ dat de opeenvolgende werken ten opzichte van elkaar vertellen. Er zouden uitsluitend werken getoond worden die Sehgal voor musea had ontwikkeld, geen 'situaties' die hij voor kunstbeurzen of privéverzamelaars had gemaakt. Het vooraf naar buiten gebrachte idee dat de cyclus een soort van spanningsboog zou kennen, waarbij de werken naar de zomer toe in omvang zouden toenemen is door de ervaringen in de eerste maanden verlaten. In maart waren er al vier werken in vier zalen op de bovenverdieping tegelijk te zien. 

Vergaande eisen

Vanaf december 2014 nam Team Tino zijn intrek in het museum. Op bijna dagelijkse basis melden zich dansers, zangers, acteurs en ‘kandidaat-vertolkers’ van zeer uiteenlopende beroepsmatige achtergrond voor de audities en repetities. Vanaf het begin was duidelijk dat het project vergaande eisen zou stellen aan de museale organisatie wat betreft flexibiliteit en improvisatievermogen. Alle afdelingen hebben met het project te maken en kennen momenten waarbij vanzelfsprekendheden overboord gaan: van personeelsbeleid tot financiën, van tentoonstellingsdienst tot bewaking, van marketing tot publieksbegeleiding.
Het mooie is dat de museumstaf langzamerhand in het project is gegroeid. De uitroep ‘This is so contemporary’ klinkt regelmatig vrolijk door de gangen. Sehgal is verschillende keren per maand in Amsterdam om te auditeren, te repeteren, te finetunen en overleg te voeren. Hij is een vertrouwde verschijning in het museum geworden en heeft een eigen fiets in de museumstalling.
Nu we met het omvangrijke werk This Variation in juni op de helft zijn, is duidelijk dat A Year at the Stedelijk: Tino Sehgal zich langzaam maar indringend in de vezels van de museale organisatie heeft genesteld en geen bezoeker ontkomt aan een confrontatie met Sehgals werk. Voor incidentele bezoekers is Sehgals werk vaak een complete verrassing. Maar er zijn ook mensen die maandelijks speciaal langskomen. Er zijn zelfs heuse fans die het museum bijna dagelijks bezoeken. De internationale pers volgt het project en de Nederlandse kranten plannen tussentijdse beschouwingen. Het online kunstmagazine 8Weekly plaatst iedere maand een recensie over het project (http://8weekly.nl). Voor mij als co-curator (met Beatrix Ruf) is A Year at the Stedelijk: Tino Sehgal een bijzondere uitkomst van het contact dat de kunstenaar en ikzelf door de jaren heen onderhouden hebben, soms tegen de museale stroom der dingen – wisselende directies, uitgestelde heropeningen – in. Zoiets is natuurlijk ook sterk afhankelijk van de loyaliteit van een kunstenaar, zeker geen vanzelfsprekendheid in de kunstwereld waarin de druk op de kunstenaar soms hoog kan oplopen. In dit geval hebben we iets bijzonders kunnen bouwen op het commitment van Sehgal, die zijn band met het Stedelijk altijd voorop heeft gesteld in contacten met de kunstinstellingen in Nederland.

Martijn van Nieuwenhuyzen is curator bij het Stedelijk Museum Amsterdam en samen met directeur Beatrix Ruf co-curator van het overzicht A year at the Stedelijk: Tino Sehgal