Het museum is momenteel gesloten. Wij hopen je snel weer te kunnen ontvangen. Meld je aan voor de nieuwsbrief en blijf op de hoogte!

Amsterdam Magisch Centrum

Amsterdam magisch centrum Kunst en tegencultuur 1967–1970

7 jul 2018 t/m 6 jan 2019

Longread — 18 dec 2018 — Stephanie Archangel

Stephanie Archangel, junior conservator bij het Rijksmuseum, is geboren op Curaçao. Haar grootvader trad als politie-inspecteur op tegen demonstranten bij de opstand van 1969. Voor dit artikel bij de tentoonstelling Amsterdam Magisch Centrum dook Archangel in de geschiedenis van die opstand en sprak ze met de belangrijkste revolutionair uit die tijd, Stanley Brown.

Ludiek, vrolijk en relatief geweldloos: zo staat de Nederlandse variant van mei ‘68 bekend. Maar terwijl Amsterdam in de jaren 60 door jongeren tot ‘Magisch Centrum’ werd omgetoverd, voltrok zich in een andere hoek van ons koninkrijk, namelijk op Curaçao, een bloedige revolutie. Het is een minder vrolijk en minder bekend hoofdstuk van onze geschiedenis dan de ‘vurrukkulluke’ jaren 60 in Amsterdam: op Curaçao werden zwarte arbeiders stelselmatig onderbetaald en onderdrukt. De Curaçaose politiek activist en docent Stanley Brown wilde daar verandering in brengen en zocht daarvoor inspiratie bij de provo’s en hun ‘ludieke’ gedachtegoed. Het leidde tot een opstand op 30 mei 1969 waarbij de politie hard optrad tegen de demonstranten. Willemstad stond in brand en twee actievoerders kwamen om.

Brown is inmiddels de tachtig gepasseerd, maar weet zich die rumoerige tijd nog in detail te herinneren, wanneer ik hem begin 2018 op Curaçao opzoek.

‘Archangel? Familie van de rechercheur?’ vraagt hij meteen.

‘Ja,’ antwoord ik aarzelend, ‘dat was mijn opa.’

Brown pauzeert.

‘Die heeft mij vaak opgepakt in de jaren 60.’

Dan keert hij zijn rug naar mij toe en zegt na een korte pauze: ‘Kom binnen.’

De toon is gezet, Stanley Brown laat zich niet makkelijk interviewen – maar vertellen wil hij wel.

Portret Stanley Brown in zijn woning voor een werk van kunstenaar Jean Girigori met daarop leiders van de 30 mei-opstand: vanaf links Stanley, Papa Godett en Amadornita. Foto: Stephanie Archangel.
Portret Stanley Brown in zijn woning voor een werk van kunstenaar Jean Girigori met daarop leiders van de 30 mei-opstand: vanaf links Stanley, Papa Godett en Amadornita. Foto: Stephanie Archangel.

 ‘In de jaren 60 stond de wereld op losse schroeven. Overal kwamen mensen in opstand tegen het gezag: Anguilla, Bermuda, Guadeloupe, Guyana, Jamaica. Ook hier op Curaçao kwamen we in beweging tegen de gevestigde orde. We wilden onrechtvaardigheden aankaarten, we waren jong en hadden weinig te verliezen. Mijn doel was verandering teweeg te brengen op het eiland.’

Arbeidersconflict en raciale spanningen

Dat het op Curaçao een keer uit de hand moest lopen is niet verwonderlijk, aldus Rose Mary Ellen, antropoloog en docent aan de Universiteit van Curaçao. ‘Hoewel de opstand van 30 mei begon als een arbeidersconflict, kwamen tijdens die middag ook de frustraties van de zwarte bevolking over het koloniale bestuur van het eiland naar boven. Het feit dat de gebeurtenissen van die dag uit schaamte en gêne in de doofpot zijn gestopt, zegt iets over de manier waarop de koloniale verhoudingen nog steeds doorwerken in de samenleving.’

Historicus Gert Oostindie beschrijft dertig jaar na dato in Curaçao 30 mei 1969 dat de raciale ongelijkheid en de daaruit voortvloeiende socio-economische misstanden, die tot dan door de elite werden genegeerd, tijdens de opstand aan de oppervlakte kwamen.1

Dat kwam onder andere door een groep kritische en door de wereldwijde revoluties geïnspireerde Curaçaose jongeren. Deze groep, die eind jaren 50 als eerste met een studiebeurs naar Nederland ging om er te studeren, kwam overzees in aanraking met anarchistische en socialistische ideeën die op dat moment in zwang waren bij jonge mensen in Europa.

Bij terugkomst op Curaçao constateerden deze afgestudeerden dat de koloniale geschiedenis daar nog altijd een donkere schaduw op de dagelijkse werkelijkheid wierp. De maatschappelijke verhoudingen op Curaçao zagen ze opeens met andere ogen. Die verhoudingen kwamen sterk overeen met die uit de koloniale tijd. Een eeuw na de afschaffing van slavernij leidden koloniale opvattingen over etnische verschillen er nog altijd toe dat de zwarte bewoners als tweederangsburgers behandeld werden – ook al vormden ze de meerderheid op het eiland.

Kruisbestuiving

Stanley Brown – geboren in Groot Kwartier, een van de armste wijken van het eiland keert in de jaren 60 na zijn studie uit Nederland terug naar het eiland. Vanuit Curaçao begint hij een correspondentie met de provo’s. Ook richt hij samen met andere Curaçaose revolutionairen een blad op, dat hij Vitó noemt. De makers van Vitó putten inspiratie uit de Black Panther Party in de VS en de Cubaanse revolutie. In een brief die Brown in 1967 aan de provo’s richt, stelt hij zich voor als redacteur en uitgever van Vitó, ‘een links georiënteerd, provocerend maandblad dat in het Nederlands en Papiaments verschijnt, oplage 3000’. Er is sprake van een kruisbestuiving, want vanuit Nederland ontvangt Brown dankzij de jonge Bart van Heerikhuizen (die later hoogleraar Sociologie aan de UvA zou worden) een aantal Provo-tijdschriften via de post. Brown gebruikt de toegezonden bladen ter inspiratie voor zijn eigen blad, waarin hij de misstanden op zijn eiland aankaart. En mede dankzij Brown bereikt informatie over die misstanden op Curaçao de provo’s in Nederland, die in actie komen. Ze maken pamfletten waarin te lezen valt over ‘Curaçao in Nood’. De eerste zin luidt:

‘SHELL - ARMOE. Kinderen op Curaçao en de Antillen – in de officiële terminologie ook wel Nederlandse Rijksdelen Overzee genoemd ­­– lijden honger.’

Maar Brown en de zijnen beperken zich niet tot schrijven. Ze willen in actie komen. Ook daarvoor laten ze zich inspireren door de provo’s uit Amsterdam, die hun antiautoritaire geluid met happenings, protesten en ludieke acties tot uitdrukking brengen. ‘Het Gomezplein, midden in het centrum van Willemstad, werd de plek waar ik toespraken ging houden en affiches en Vitó uitdeelde.

Cover 'Vitó', jaargang II, no. 8. Destijds verstuurd door Stanley Brown vanuit Curaçao naar de Provo’s. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. Uitgevers-Stichting Vitó.
Cover 'Vitó', jaargang II, no. 8. Destijds verstuurd door Stanley Brown vanuit Curaçao naar de Provo’s. Collectie Rijksmuseum Amsterdam. Uitgevers-Stichting Vitó.

We hielden er ook provo-achtige happenings. Daar werd ik dan ook vaak door je grootvader opgepakt voor het 'verstoren van de openbare orde'.’
Ondanks de arrestaties slaan de acties aan. Steeds meer jongeren verzamelen zich wekelijks op het plein om hun onvrede te uiten en de oplage van Vitó groeit snel. ‘In plaats van jongeren te organiseren en ludiek te zijn, besloot ik vakbonden te organiseren en revolutionair te zijn’, vertelt Brown. Mede onder invloed van Browns tijdschrift monden de maatschappelijke misstanden en raciale spanningen op het eiland uit in een revolte. Vakbondsleider Papa Godett en auteur Amador Nita sluiten zich als schrijvers bij Vitó aan, waardoor de beweging rond Brown een sterkere politieke lading krijgt. Ze besluiten om de vakbonden te verenigen en kondigen vanaf 1 mei 1969 stakingen aan bij Shell, een van de grootste werkgevers op het eiland. 

Willemstad in brand

Hoe dat afloopt, is terug te lezen in een rapport dat in opdracht van de Regering van de Nederlandse Antillen werd geschreven: het Rapport van de Commissie tot onderzoek van de achtergronden en oorzaken van de onlusten welke op 30 mei 1969 op Curaçao hebben plaatsgehad. De kiem van de opstand ligt volgens het rapport in de massaontslagen bij Shell, dat in die periode begint aan een automatisering. Vooral voor de zwarte bevolking zijn de veranderingen ingrijpend. De situatie is nijpend: veel ex-werknemers treden via onderaannemers weer in dienst bij Shell, zij het voor minder loon en zonder toegang tot sociale voorzieningen. Een onhoudbare situatie. In mei eist het vakbondsbestuur van Wescar – de onderaannemer van Shell – dat de lonen worden verhoogd. Na mislukte onderhandelingen komt het tot een staking. Op 28 mei 1969 informeert Wescar een boze menigte van werknemers dat degenen die doorgaan met staken, per direct ontslagen zullen worden.

Die boodschap verontwaardigt vele Curaçaoënaars. Duizenden arbeiders uit andere industrieën tonen zich solidair met de Shell-stakers en sluiten zich bij de stakende massa aan. Op 30 mei groeit de menigte uit tot circa 4000 mensen, die vanuit Shell naar Willemstad trekken om verhaal te halen bij de overheid. Onderweg wordt een supermarkt geplunderd. Rond de stadsgrens van Willemstad wordt de menigte opgewacht door de politie, die de toegang tot het centrum barricadeert. Daar raakt vakbondsleider Papa Godett door een verdwaalde kogel (hierover bestaan verschillende theorieën) gewond in zijn rug.

‘Een ding hebben wij toen niet goed gedaan,’ blikt Brown op dat voorval terug, ‘wij waren zó geschrokken. We zijn toen met alle vakbondsleiders naar het ziekenhuis vertrokken om Godett bij te staan. De duizenden stakers kwamen zodoende zonder leiders te zitten.’

Nederlandse mariniers en oproerpolitie van Curaçao in Willemstad, 30 mei 1969. Collectie: Fotoafdrukken Koninklijke Marine. (c) NIMH.
Nederlandse mariniers en oproerpolitie van Curaçao in Willemstad, 30 mei 1969. Collectie: Fotoafdrukken Koninklijke Marine. (c) NIMH.

Die furieuze massa raast vervolgens naar de stad. Niet alleen Shell wordt nu als boosdoener aangewezen – ook de frustraties over het koloniale, witte bestuur vinden via de plunderingen hun uitweg. Witte Europeanen moeten uitwijken en hun auto's worden omgegooid en in brand gestoken. De grote winkelstraten van Punda worden in brand gestoken, de ene vlam zwiept razendsnel de andere aan.

De gebeurtenissen op Curaçao leiden ook in Nederland tot onrust. De Nederlandse regering stuurt zo’n 300 mariniers naar het eiland, een besluit dat sommige Nederlanders in het verkeerde keelgat schiet. Bij het Antillenhuis in Den Haag wordt gedemonstreerd tegen dit ‘koloniale handelen’, schrijft Het Nieuwsblad van het Noorden op 2 juni 1969. Er wordt een steen door het raam van de gevolmachtigde minister van de Nederlandse Antillen gegooid en de politie komt met veel geweld in actie tegen de demonstranten.

Afro-Curaçao                      

Op Curaçao vraagt men zich soms af of de verwoestingen van 30 mei het wel waard waren. Financieel is het eiland er niet op vooruit gegaan, sterker nog: ze zijn er slechter aan toe dan voorheen. Willemstad is voor een groot deel verwoest en de schade is immens. Het 30 mei-rapport schat de economische schade op 35 miljoen Antilliaanse gulden (ongeveer 60 miljoen Nederlandse gulden).

Maar de revolte is niet voor niets geweest: ze zet een aantal politieke, maatschappelijke en culturele veranderingen op Curaçao in gang. Ten eerste treedt de dan nog volledig witte regering van Curaçao af. Awor nos ta manda (nu nemen wij de touwtjes in handen) is de nieuwe kreet. Stanley Brown, die medeschuldig wordt bevonden aan de ongeregeldheden en vier maanden de gevangenis ingaat, richt samen met Godett en Amador Nita de partij Frente Obrero i Liberashon 30 di Mei (FOL) op, waarmee ze na de eerste verkiezingen met drie zetels in de staten komen. 

Volkswagen Kever wordt op zijn kop getild en in brand gestoken tijdens de revolte in Willemstad, 01-06-1969. Fotograaf onbekend. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/ANP.
Volkswagen Kever wordt op zijn kop getild en in brand gestoken tijdens de revolte in Willemstad, 01-06-1969. Fotograaf onbekend. Nationaal Archief/Collectie Spaarnestad/ANP.

Auteur Cola Debrot, op dat moment gouverneur, treedt af en wordt vervangen door Ben Leito: Curaçao’s eerste zwarte gouverneur. Door de revolutie komt ook de appreciatie van de zwarte Curaçaoënaar voor zijn eigen cultuur op gang. Oude tradities worden herontdekt en nieuwe culturele uitingen bloeien op in de zogeheten ‘renaissance van de Afro-Curaçaoënaar’. Zo vindt er voor het eerst een herdenking plaats van de slavenopstand die Tula in 1795 leidde. In navolging van de Black is Beautiful- en Grow your own hair-bewegingen in Noord-Amerika, wordt ook de Curaçaoënaar vanaf 30 mei 1969  bewust van  zijn Afrikaanse en Caribische achtergrond.

Hieruit ontstaat ook de eerste Curaçaose Academie voor Beeldende Kunsten, waar een nieuwe visie op de kunst floreert. Er wordt afstand genomen van westerse conventies en de Curaçaoënaar ontdekt hoe kunst kan helpen om de eigen identiteit te onderzoeken en te promoten. Onder invloed van bewegingen in Noord-Amerika (Black Power, Popart), het Caribisch gebied (Cubaanse avant-garde) en Nederland (Provo) ontstaat er zelfs een eigen kunststroming: de collectief-functionele ‘groovy’-kunstbeweging. Die manifesteert zich door het oprichten van meestal kleine bouwsels, gedecoreerd met afbeeldingen van figuren uit de popcultuur, dieren en populaire revolutionairen zoals Che Guevara en Fidel Castro. En natuurlijk Curaçao’s eigen helden Tula en Karpata, leiders van de slavenopstand van 1795.

Zo heeft de opstand op cultureel vlak in ieder geval veel positiefs opgeleverd: sinds 1969 is de zwarte huidskleur niet langer een teken van minderwaardigheid en onderdrukking, maar van kracht en schoonheid. Of zoals Brown zegt: ‘Vanaf die dag hebben wij Curaçaoënaars met andere ogen naar onszelf leren kijken.’

Over de auteur

Stephanie Archangel is junior conservator Geschiedenis bij het Rijksmuseum. Ze was medesamensteller van de tentoonstelling 80 Jaar Oorlog. De geboorte van Nederland. Eerder schreef ze voor LKCA de blogreeks 'Afrofuturism in Nederland’ (2016) en droeg ze bij aan het boek 80 Jaar Oorlog (2018) met het essay ‘Tachtig jaar oorlog. Een gedeeld verleden' waarin ze de rol van de overzeese gebieden tijdens de oorlog belicht.

Noten

1. Oostindie, G., Curacao 30 mei 1969 (Amsterdam: Amsterdam University Press, 1999).